Advocaten Luisteren: Frans Wouters

 

Verhouding patron-stagiair
Een evolutie in de tijd

 

Er zal weinig tegenspraak zijn wanneer ik zeg dat de invulling van het beroep van de gemiddelde advocaat aan de Balie Leuven - over de laatste tientallen jaren gezien - gevoelig is veranderd.

In de jaren ‘70 waren de advocaten solisten en omnipractici, en als er al soms over advocatenkantoren gesproken werd, waren dit meestal familiale doorgeef- en doorleefverbanden.

Vandaag is onze balielandkaart heel anders, zijn de eenmansadvocatenkantoren de uitzondering, en is er wellicht niemand die zich nog voldoende bevoegd acht om in alle materies van het recht als advocaat tussen te komen. Wie dat wel zou vinden, zou alleszins als zeer verdacht overkomen.

Deze duidelijke verandering lijkt mij tegelijk teweeggebracht door en gevolgen te hebben voor het verwachtingspatroon dat het cliënteel, ons publiek, van de advocaat heeft gecreëerd.

Maar tegelijk en even zeker heeft de verandering in de manier waarop wij de advocatuur beoefenen haar invloed gehad op de verhouding tussen de stagiair en zijn of haar stagemeester terwijl vice versa deze verhouding patron-stagiair heeft ingewerkt op de verandering van de wijze van werken van de advocatenkantoren.

Frans WoutersIn de klassieke eenmanskantoren zoals deze tot in de jaren ‘80 bijna zonder uitzondering onze balie samenstelden, was er één patron met één, twee, maximum drie stagiairs van wisselende stagejaren. De stagiairs werden in principe niet vergoed, hoewel de meeste patrons vanaf het tweede en zeker het derde jaar toch een symbolische vergoeding betaalden, in de orde van grootte van enkele honderden euro’s per maand.

De patrons hadden weliswaar de stagiairs nodig om hun kantoor draaiende te houden, doch hadden weinig belang om de financiële tussenkomsten voor deze stagiairs uit eigen beweging te verhogen, terwijl de stagiairs te zwak stonden om de reeds zo lang bestaande toestand drastisch te kunnen veranderen.

Veel meer dan nu ging de stagiair nog samen met patron naar de zitting, naar de plaatsbezoeken en expertisevergaderingen, werden cliënten samen ontvangen en dossiers samen besproken... althans dat is mijn ervaring.

In de loop der jaren is dan toch de gewoonte gegroeid - en nadien als verplichting opgelegd - om de stagiairs te vergoeden, eerst nog bescheiden, thans toch al wat substantiëler.

Hierbij mag worden benadrukt dat de balie van Leuven een van de eerste balies is geweest die een, zij het bescheiden, maar alleszins verplichte vergoeding voor de stagiairs bij reglement heeft vastgelegd.

Door deze verplichte vergoeding, ook als was ze minimaal, hielden de stagiairs op goedkope, gratis of bijna gratis werkkrachten te zijn, waarmee relatief vrijblijvend kon worden omgesprongen.

Aangezien er nu voor moest betaald worden was het logisch dat er ook naar het rendement van zulke ‘investering’ werd gekeken.

Waar een stagiair voorheen bij een patron terecht kwam, veelal via relaties en vriendenverbanden, worden de patrons nu geruime tijd vooraf aangeschreven door de kandidaten zelf, worden ze door deze patrons, meestal met vennoten in groepsverband, uitvoerig gesproken, gezien, gescreend en vergeleken vooraleer ze worden aangenomen.

Eigenlijk zou de stagemeester zich door het aannemen van de stagiair ertoe moeten verbinden om de stagiair ‘een opleiding te bezorgen in alle aspecten van het beroep als advocaat’. In de praktijk wordt die opleiding - als die al gegeven wordt - grotendeels verzorgd door de andere stagiairs in het kantoor en zo er zijn, door de medewerkers.

De stagescholen in de schoot van de balie hebben de facto willens nillens deze opleidingsplicht van de patron overgenomen, wat noodzakelijk was omdat de patron zijn tijd niet meer in de opleiding van de stagair kan steken...

Onder het mom dat de stagiair toch wordt betaald, kan men hem of haar ook gemakkelijker dan vroeger met minder aangename, dringende opdrachten belasten, dossiers die niet in orde zijn laten pleiten, met slechte dossiers met juridisch weinig onderbouwde argumenten op weg sturen...

Ik ben het met zulke handelwijze en met de gedachte dat met een beter vergoede stagiair minder omzichtig mag worden omgesprongen, niet eens.

Een advocaat-stagiair moet, weliswaar in een ideale wereld, met zijn patron de interessante dossiers behandelen, misschien zelfs de enigszins speciale dossiers waar meer dan gebruikelijk opzoekingswerk moet in gebeuren. Het is echter belangrijk dat over elke stap in het dossier wordt gecommuniceerd, hetzij door het voorleggen van de briefwisseling, bespreking met de patron, met de cliënt...

De evolutie van de invulling van het beroep van advocaat mag er mijns inziens niet toe leiden dat met een advocaat- stagiair op dezelfde wijze wordt gehandeld als met een advocaat-medewerker. Deze laatste wordt verondersteld - zoniet zou hij niet als medewerker worden gevraagd - zelfstandig een dossier voor het kantoor te kunnen behandelen en slechts op de meest ingrijpende momenten van het dossier, als er zich problemen stellen, zeer kort toelichting en overleg nodig te hebben.

Een medewerker kan ook worden gelast met deelopdrachten in een dossier, zonder het volledig op te volgen: een dagvaarding of conclusies opstellen, pleiten, een afrekening controleren...

Eigenlijk blijft het essentieel en belangrijk dat de moderne patron, ondanks de noodzaak oog te moeten hebben voor rendement, toch zijn stagiair behandelt als een toekomstig advocaat en niet als een toekomstig medewerker.

Het allerkortste reglement ooit, het reglement betreffende het statuut van de advocaat, stelt in zijn enig artikel: ‘de advocaat oefent zijn beroep als zelfstandige uit, met uitsluiting van iedere band van de ondergeschiktheid.’

Een goede stage is een stage die de advocaat-stagiair zo opleidt dat hij aan dit reglement kan voldoen.

Frans WOUTERS
Stagemeester